maandag 9 november 2009

Westlandse kerstverhalen

De pere ware duur dat jaar…

Sneeuw, bergen sneeuw.
Dirk kon zich niet herinneren dat het zo gesneeuwd had rond de kerst als dit keer. Hij tilde zijn alpinopetje op en krabbelde aan zijn kruintje. Dat deed Dirk altijd als hij boos of ontevreden was. Goed dat Co, zijn evenals hij ongehuwd gebleven zuster met wie hij het huishouden deelde, niet in de buurt was. Die had er vast wat van gezegd. ‘Niet op je kop krabbelen Dirk, daar krijg ie lelijke plekken van…’
Best mens hoor, Coba, maar soms bemoeide ze zich wel heel erg met zijn doen en laten. Zesenvijftig was ze nu, vier jaar ouder dan hij en ze was hem altijd als haar kleine broertje blijven beschouwen.

Dirk zuchtte en zette zijn petje weer op zijn hoofd. Een beetje scheef. Dat deed ie expres.
Sinds die ene keer dat een dame, die bonen was wezen kopen in de schuur, tegen hem had gezegd ‘dat hij er zo snoezig uit zag met dat scheve petje op zijn hoofd’. Hij had nadat ze weg was meteen in de spiegel gekeken wat of ze nou wel bedoeld had en wat hij zag was hem zo bevallen dat hij vanaf dat moment zijn alpino een beetje scheef was blijven dragen. Een paar dagen later had Coba er natuurlijk wat van gezegd. ‘Je pet staat nu al een hele poos scheef op je hoofd Dirk, wat is dat voor gekkigheid? Heb je je gestoten? Heb je misschien een buil op je bol?’
Hij had geantwoord dat hij zijn pet naar de laatste Parijse mode was gaan dragen en dat er toch niks verkeerds aan was eens een beetje met de moderne tijd mee te gaan. Zijn zuster had schamper gelachen. ‘Wat haal jij je nou in je hoofd . Je komt maar een paar keer per jaar je dorp uit. Af en toe gaan we met de bus naar Den Haag om kleren te kopen, twee keer per jaar reizen we af naar Overschie voor verjaarsvisite bij neef Cees en jij wilt er bij lopen volgens de laatste Parijse mode? Wat een onzin… Wat weet jij trouwens van die Parijse mode af.’

In de verte beierden de klokken van de pleinkerk. Dirk schrok op uit zijn gepeins. O ja, ’t is zondag vandaag en morgen is het eerste Kerstdag. Twee keer zondag achter elkaar. Brrr… vreselijk. Hij haatte zondagen. Ze zijn stil, saai, vroom. Niks an, zo anders dan doordeweeks. Dat had hij al van kleins af aan en dan zorgde de kalender er dit jaar ook nog eens voor dat er twee van die zondagen na elkaar kwamen. De klokken waren opgehouden met luiden.
Coba zou zo wel naar buiten komen om naar de kerk te gaan. Nou hij had geen zin. Nu niet, nooit niet.

Na de dood van vader, was hij niet meer te bewegen geweest die kerk te bezoeken. Een boze rimpel tekende zich op zijn gezicht en hij krabbelde weer even aan zijn kruintje. Het was niet eerlijk. Vader was nog kerngezond. Had nog jaren bij hen kunnen blijven. Was Dirk nou maar in de buurt geweest. Dan was het vast niet gebeurd…

Maar hij was er niet bij toen zijn vader op die fatale oktobermorgen, alweer vijf jaar geleden, naar de perenbomen was gelopen om de rijpe peertjes te plukken. De perenbomen waar vader zo trots op was geweest. De fraaie bomen, ietwat vooroverhellend boven de sloot, die er al zo lang stonden dat zelfs vader zich niet kon herinneren dat ze er niet waren geweest. Wat er gebeurt was, wisten ze niet. Misschien had vader zijn evenwicht verloren, was onwel geworden. Hoe dan ook, buurman Valstar had hem zien drijven in de vaart. Toen was hij al dood. Verdronken. Vader kon niet zwemmen.
Dirk vond het niet eerlijk van God dat Hij uitgerekend zijn vader, een sterke man, zo gezond als een vis, een vroom Christen, voortijds bij zich had geroepen’ zoals de dominee plechtig had gezegd bij de ter aarde bestelling. Dat vond ie toen niet eerlijk, nu niet en nooit niet.
Daarom weigerde hij pertinent om ooit nog één voet in de kerk te zetten.

Coba had heel andere gevoelens. Die had het God nooit kwalijk genomen, dat van vader. Zij was al weken helemaal vol van kerst. Ze had een boompje op de kop getikt en net als ieder ander jaar opgetuigd met kerstballen en slingers. De echte kaarsjes die ze aan de takken had bevestigd zou ze pas vanavond, op kerstavond aansteken. Hij zou naast de boom gaan zitten. Met een wakend oog en een emmer zand. Je kon maar nooit weten. Coba zou zittend aan de grote tafel het Kerstevangelie hardop voorlezen en hij zou luisteren. Luisteren naar het verhaal over het kindje Jezus waar geen plek voor was in de herberg zodat ie uiteindelijk in een stal werd geboren en daarna zouden ze samen een glaasje vruchtenwijn drinken en zou zijn zus net als ieder jaar op kerstavond vragen ‘Ga je straks nog met me mee naar de kerstnachtdienst Dirk? Hij zou dan zoals altijd zijn hoofd schudden en antwoorden:‘Nee Coba, sorry. Ik ken het niet opbrenge... De pere ware duur dat jaar.’
Zijn zus zou dan opstaan, met tranen in haar ogen. Was dat omdat hij niet meeging, of omdat ze dan ook aan vader moest denken? Hij was er nog nooit achter gekomen waarom ze dan met ogen vol tranen stond. Ze zou haar zakdoek pakken, en nadat ze haar tranen had gedroogd hem antwoorden: ‘Goed Dirk, zoals je wilt. Gelukkig kerstfeest’.
Dan zou hij haar handen vastpakken en zeggen: ‘Dank je zus, jij van hetzelfde, misschien volgend jaar…

Hij schuifelde naar de schuur om een bezem te pakken.
‘Gauw effe het pad sneeuwvrij maken, zodat Coba zonder uitglije naar de kerk ken.’

Verse sneeuw dwarrelde op zijn alpinopetje neer.
C. Wageveld

Geen opmerkingen:

Een reactie posten